|
De meeste hoogbegaafde kinderen gedragen zich vrij normaal. Maar niet allemaal hebben
ze hun gedrag volledig in eigen hand. Leidt afwijkend gedrag in de thuissituatie al tot communicatiestoornissen,
op school krijgt verstoppen of aandacht vragen nog een heel andere lading.
Onderpresteren
Wanneer kinderen niet voldoende worden uitgedaagd om hun creatieve denkvermogen te
gebruiken, mondt dat uit in onderpresteren2): minder presteren dan op grond van de capaciteiten mag worden
verwacht, of relatief onderpresteren: het kind presteert goed op klasseniveau, maar zou veel meer aankunnen.
In het eerste geval hebben de ouders hogere verwachtingen van het kind op grond van de ontwikkeling in de
eerste vier levensjaren. De leerkracht weet niet wat hij aanmoet met de overtuiging van de ouders dat deze leerling
verder in zijn ontwikkeling is dan leeftijdgenootjes. De leerling levert daarvoor geen enkel bewijs. En dus gaat hij
twijfelen aan de hogere capaciteiten van het kind. Het krijgt immers dezelfde kansen als andere leerlingen, maar
het grijpt die niet aan om te laten zien wat het kan.
Wanneer er sprake is van relatief onderpresteren zijn alle partijen tevreden, behalve de leerling zelf.
Het onderpresterende kind voelt zich ongelukkig. Het raakt gefrustreerd dat het niet zichzelf kan zijn en zijn
vaardigheden kan inzetten op zijn eigen niveau van denken en doen, zoals hij gewend was voordat hij naar
de basisschool ging3). Grofweg zien we dan twee soorten reacties, waarvan
het ‘rebels’ gedrag’ voor de leerkracht de meeste problemen geeft.
2) Zie ook het hoofdstuk ‘Onderpresteren’.
3) Soms begint het onderpresteren al op de peuterspeelzaal. Ook daar is alertheid op onderpresteren dus geboden.
Aandacht vragen
Het kind dat zich gaat zich verzetten tegen de school vraagt eigenlijk alleen maar aandacht
voor zijn probleem. Het kan zich daarbij echter zo storend gaan gedragen in de klas, dat de leerkracht binnen
afzienbare tijd niet meer weet hoe hij het kind moet benaderen. Deze vorm van afwijkend gedrag groeit soms
uit tot een echte gedragsstoornis en het komt dan ook regelmatig voor dat een school voor zo’n leerling een
procedure start om hem in het speciaal basisonderwijs te plaatsen. Wanneer de verwijzing naar de speciale
school een feit is, gaat ook die school op zoek naar de juiste benadering voor het rebellerende kind. Maar als
het storende gedrag in oorsprong is ontstaan door onderpresteren, is het erg moeilijk om dat te achterhalen
in een heel andere onderwijsvorm. De groepen in het speciaal basisonderwijs zijn veel kleiner dan die in het
reguliere basisonderwijs en daardoor kan de leerkracht de leerling meer individuele aandacht geven. Zo gaat
er voor de onderpresterende leerling soms al zoveel druk van de ketel, dat het gedrag al wordt gereguleerd
voordat er verder onderzoek of andere maatregelen zijn getroffen. Wanneer er dan ook tijdens het (standaard)
intelligentieonderzoek niet optimaal door de leerling wordt gepresteerd is het heel goed mogelijk dat zijn hoge
intelligentie niet wordt ontdekt, maar dat het kind na verloop van tijd ook onbehandelbaar blijkt te zijn, eenvoudig
doordat er geen duidelijke diagnose uit komt. En zonder diagnose is geen enkele behandeling verantwoord.
Een leerling die niet thuishort in het speciaal basisonderwijs gaat na verloop van tijd terug naar de gewone basisschool.
De gedragsproblemen zijn echter nog niet voorbij of komen weer terug. De intelligentie valt nog steeds niet op en
de tweede start in het basisonderwijs is een herhaling van de eerste. Weer wordt het rebellerende gedrag op de
verkeerde manier bestreden en krijgt de leerling niet de juiste begeleiding. Weer lossen de maatregelen die worden
genomen, niets op voor het kind. Het krijgt geen extra uitdagingen en er is met de jarenlange procedure niets bereikt.
Waarmee maar al te duidelijk is: het zit ‘m in de omgeving.
Wie denkt dat er bij de professionals nu een belletje gaat rinkelen, kan van een koude kermis thuiskomen. Deskundigen
op het gebied van onderwijs, psychologie en orthopedagogiek hebben lang niet altijd de specifieke kennis die nodig is
om de problematiek van onderpresteren van begaafde kinderen te kunnen signaleren.
Verstoppen
Een tegenovergestelde reactie op onderpresteren is het aanpassen aan de verwachtingen van
de leerkracht. Deze kinderen zien aan hun klasgenoten hoe anders zij zich hebben ontwikkeld. Ze tekenen anders,
maken zich druk om heel andere dingen en stellen andere vragen. Om niet uit de toon te vallen kijken ze stiekem
hoe hun medeleerlingen functioneren en imiteren dat gedrag. Ze laten niet meer zien wat ze zelf kunnen.
Leerlingen die deze weg kiezen zijn zich, net zomin als de rebellerende leerling, bewust van die keuze. Ze kiezen onbewust
een vorm om hun gefrustreerde gevoelens ten gevolge van het onderpresteren te kanaliseren waarbij ze zichzelf
verloochenen. Ze doen zichzelf enorm veel geweld aan door zich in allerlei bochten te wringen om het de leerkracht
‘naar de zin’ te maken. Ze willen een perfecte maar onopvallende leerling zijn en geen belasting voor de juf of meester.
Deze kinderen durven vervolgens niet te tonen hoe ongelukkig ze zijn op school uit angst dat de leerkracht dat op zal
vatten als kritiek op zijn/haar werk. Ze zien dat de juf haar uiterste best doet om goed en leuk onderwijs te geven
en zijn bang dat ze haar ongelukkig maken als blijkt dat het niet voor alle kinderen even fantastisch is.
Het laat zich raden dat ook deze kinderen ergens een uitlaatklep moeten hebben en dat is natuurlijk thuis. Daar
reageren ze hun frustraties af, meestal als eerste op hun moeder. Omdat de ouders wel begrijpen dat de negatieve
gevoelens van hun kind worden opgelopen op school, gaan die na verloop van tijd met de juf praten over mogelijke
verrijkingsmaatregelen. Gezien jufs eigen ervaringen met deze leerling is daar echter in haar ogen geen enkele
aanleiding toe. Het kind gedraagt zich voorbeeldig in de klas en juf heeft meer gemak dan last van dit aardige kind.
Juf merkt niets van de frustratie waar de ouders het over hebben of de behoefte aan een ander onderwijsaanbod.
Wat ligt nu meer voor de hand als oorzaak voor het lastige gedrag dan een dissonant in de thuissituatie? Op school
vertoont het kind geen opvallende kenmerken en gedraagt het zich prima. Thuis zijn er gedragsproblemen. Dus moet
dáár ook de oorzaak worden gezocht.
Nu gaan ook de ouders gefrustreerd naar huis. Zíj hebben niemand om zich verder op af te reageren en worden óf
zelf opstandig en vechten door, óf gooien er al snel het bijltje bij neer. In beide gevallen is de kans dat op korte termijn
de juiste maatregelen worden getroffen voor de onderpresterende leerling, erg klein. Weer is er niets bereikt.
Waarmee maar weer al te duidelijk is: het zit ‘m in de omgeving.
Als er in de opleidingen voor leerkracht, psycholoog, pedagoog en dergelijke meer aandacht zou zijn voor onderpresteren
en de hele problematiek daaromheen, zou veel kinderen een hoop ellende bespaard kunnen worden.
De omgeving
Gezien bovenstaande is het een interessante vraag wat de omgeving dan wél kan doen, nu er nog
weinig algemene kennis is van de problemen van hoogbegaafden in het onderwijs.
Allereerst moge duidelijk zijn dat veel onderwijsopleidingen nog onvoldoende aandacht hebben voor (hoog)begaafdheid
en alles eromheen. Vanuit die vaststelling is het belangrijk dat de omgeving van de leerling zich relaxed gedraagt. Denk
als onderwijsgevende niet meteen dat je iets niet goed doet als een kind gaat onderpresteren. Houd de blik op de
leerling gericht en onderzoek wat er mis kan zijn. Neem ook de ouders serieus, luister naar hun verhalen en wees
gealarmeerd wanneer de problemen zich alleen thuis voordoen. Wanneer de oorzaak van afwijkend of gestoord gedrag
werkelijk in de thuissituatie ligt, zie je dat gedrag ook op school. Wanneer er alleen thuis klachten zijn over het kind ligt
de oorzaak vaak op school.
Een op school rebellerend kind moet ook de alarmbellen laten rinkelen, juist wanneer de ouders thuis minder klachten hebben.
Als ouders is het belangrijk om je bewust te zijn van je rol als voorvechter voor je kind. Je bereikt niets door de zwarte
piet naar school te schuiven, maar je bereikt ook niets door de zaken te laten zoals ze zijn. Zowel de rebel als de
aanpasser zijn afhankelijk van volwassenen die hen zien zoals ze werkelijk zijn en die hun behoeften kunnen
onderkennen. Het lukt jonge kinderen nog niet om zodanig voor zichzelf op te komen dat meester of juf precies
begrijpt hoe het onderwijs voor hen aangepast moet worden. Ook om die reden is het belangrijk dat ouders zich
verdiepen in de noden van hun kind. Ze kunnen een grote steun zijn voor de onderwijsgevende wanneer beide
partijen zich coöperatief opstellen.
Ter geruststelling is het goed te vermelden dat het treffen van uitdagende verrijkingsmaatregelen ook bij jonge
kinderen de beste manier is om er achter te komen of we hier een bovengemiddelde leerling hebben die, anders
dan andere leerlingen, behoefte heeft aan een programma dat wordt aangevuld met opdrachten die zijn creatieve
denkvermogen activeren. Kinderen die deze begeleiding niet nodig hebben zullen er nauwelijks op reageren of al
snel afhaken zonder daarover gefrustreerd te raken. Het is nu eenmaal niet mogelijk om iets te presteren wat niet
binnen je mogelijkheden ligt.
Zo komen de echte slimmeriken vanzelf bovendrijven en is eens te meer duidelijk: het zit ‘m in de omgeving.
|