|
Neem het rekenonderwijs in groep 3. Eerst worden er op speelse wijze groepjes
gemaakt, het getallenlijntje wordt uitentreuren herhaald, de bussommen worden van stal gehaald,
het rekenrekje staat standaard op tafel, de kralenketting mag worden gebruikt, etc. Aan het eind
van het schooljaar is het alleen maar de bedoeling dat de leerlingen alle denkbare optel- en aftreksommen
tot 10 uit het hoofd hebben geleerd.
Veel begaafde leerlingen zitten zich het grootste deel van de tijd te vervelen, snappen de bussommen
niet, weten niet wat ze met het rekenrekje aan moeten, schuiven gezellig met de kralen zonder dat
ze weten waarom, etc. Als vooraf aan deze leerlingen zou worden uitgelegd dat al die werkvormen
bedoeld zijn om de sommen te automatiseren en ook het begrip automatiseren zou worden uitgelegd,
konden deze leerlingen lekker zelfstandig aan de slag, net zo lang tot ze het gevoel hadden dat ze
aan het gestelde doel konden voldoen. Ook zouden ze bepaalde stappen overslaan; die hebben ze
eenvoudig niet nodig. Wie het rekenrekje niet correct kan hanteren kan er beter níét mee werken dan
wel. Wie de bussommen niet ziet als optel- en aftreksommen, kan beter alleen gewone sommen maken.
Wie begrijpt dat ‘plus’ een ander woord is voor erbij en ‘min’ een
ander woord voor eraf, kan meteen deze begrippen hanteren zonder eerst een term te moeten leren
gebruiken die ze later weer af moeten leren. Want het afbreken van onbruikbaar geworden kaders is erg moeilijk.
Zo zit het hedendaagse rekenonderwijs vol met valkuilen die het de begaafde leerling alleen maar moeilijker
maken om vlot te leren rekenen.
Er is in zo’n situatie nauwelijks sprake van rekenonderwijs. Ik zou eerder spreken van rekenvervuiling.
Vaak kunnen leerlingen aan het begin van groep 3 al een beetje rekenen en het zou veel verstandiger
zijn om van die autodidactisch opgebouwde voorsprong uit te gaan en daar met de rekendidactiek op
aan te sluiten. Dat is echt adaptief onderwijs: onderwijs dat uitgaat van de mogelijkheden van de leerling.
Maar natuurlijk is het ook veel gevraagd van de leerkracht om op deze manier met een (klein) deel van de klas
bezig te zijn terwijl de andere leerlingen juist veel baat kunnen hebben bij de moderne rekendidactiek. Voor
de meeste onderwijsgevenden is het bijvoorbeeld al onmogelijk om zich te verplaatsen in de topdown denker,
gewoon omdat ze zelf bottom-up denker zijn. Die denkstrategie kies je niet bewust: hij past bij je of niet.
Dat kun je een leerkracht dus niet kwalijknemen.
Vervolgens zijn de mogelijkheden voor de leerkracht met een grote groep ook beperkt. Vaak hebben de juffen
en meesters de handen vol aan de groep, zeker omdat ook de zogenaamde uitvallers aan de onderkant veel
van hun aandacht vragen. Daar gaat veel energie naartoe en het is onzinnig om te veronderstellen dat een
deel van die aandacht dan maar naar de topdown denkers moet. Dat willen de ouders van deze kinderen
misschien wel, maar het is niet realistisch. Iedereen weet dat de andere uitvallers net zo goed die aandacht nodig hebben.
En tenslotte werkt de school niet voor niets met een rekenmethode. Als leerkrachten het rekenonderwijs zelf
zouden moeten ontwerpen, kwam men structureel een uurtje of vijf per week tekort.
|